“It’s impossible”. Dat is wat de beambte van Trenord, (het Veolia van Noord-Italië) mij antwoordde toen ik hem in simple English vroeg of ik misschien vast een kaartje kon reserveren naar Venetië. Morgen zouden ik en Thomas vanuit Laveno eindelijk vertrekken, “laat ik maar vast wat nuttigs doen”, dacht ik. Ik had net op de iPad (tevens “de Tom Tom”) van m’n vader nog gezien dat tegenwoordig iedereen overal ter wereld een zitplaats in een TrenItalia-trein kan reserveren. De techniek stond nu ook in Italië voor niks. Voor een online treinreservering had je niet meer nodig dan een creditcard, een computer en een printer. Dat eerste of iets vergelijkbaars kon ik verschaffen en de beambte had voor z’n neus niets minder dan (helemaal in thema) een beige gekleurde ‘Beste Gezins-PC 1992′ staan, gekoppeld aan iets waar bedrukt papier uit kwam. Maar het bleek toch niet mogelijk.
Achteraf vermoed ik dat deze eerste hobbel is ontstaan door het keiharde, onversneden neoliberalisme, dat ook het Moderne Italië inmiddels kenschetst. Het was allemaal waarschijnlijk het gevolg van een zwaar versnipperde Italiaanse treinmarkt, waar je geen stad kan passeren zonder van treinaanbieder te wisselen en daarmee van reserveringssysteem. “Greed is Good”, m’n hol, blijkt maar weer. (het station van Laveno staat wel naast een echte markt trouwens. Je kan er iPods van 5 euro kopen.) Een tweede mogelijke oorzaak van het debacle zou echter, dacht ik op dat moment, ook wel eens mijn wellicht toch ineffectieve en onsympathieke manier van toespreken kunnen zijn geweest.
Over die laatste mogelijkheid maakte ik me een beetje zorgen, want hoe moest dat dan straks in Oost-Europa, niet echt bekend staand om zijn soepele, internationaal georiënteerde servicegerichtheid? Converseren met loketmedewerkers was in Nederland al een van mijn zwakkere punten en de komende weken ging ik die vaardigheid toch echt nodig hebben. Gelukkig reisde ik samen met Thomas. “Wat een ontzettende leuke, aardige jongen is dat”, in de woorden van mijn sms-ende zusje, in aanvulling op de boodschap dat ze mijn nieuwe bankpasje succesvol aan hem over had gedragen. M’n oude pasje was namelijk een dag voor vertrek met ouders kapot gegaan.
Toen we Thomas bij het station van het Zuid-Zwitserse en steenrijke Lugano ophaalden zat ik in tegenstelling tot Thomas en mijn nieuwe bankpasje al weer een week in Italië. Als je met je ouders op vakantie gaat is het na een week eigenlijk wel weer mooi. Thomas en mijn bankpasje kwamen dus eigenlijk precies op tijd. En ik had nu zowel weer de beschikking over eindeloos betaalgemak als over een sympathieke jongen die vast beter met loketmedewerkers om zou kunnen gaan dan ik. Dat laatste viel tegen. Ik zag wederom een grenzeloze paniek de ogen van de toch vrolijk aangeklede loketmedewerker meester maken, toen daar twee boomlange, bleke, slungelige, Hollandse jongens aan kwamen lopen en Thomas met een sympathiek glimlachje rustig een “simple little question” wilde stellen. De vraag was nog niet gesteld of het Pavlov-antwoord al gegeven: “It’s impossible”.
Dan maar gewoon de eerste beste trein (of “boemeltje”, in de woorden van m’n vader) naar Milaan in. Er gingen vanaf dit station eigenlijk toch geen andere treinen. En of je echt moest reserveren zagen we dan wel weer in Milaan. Daar waren we toch pas over 3 uur. Daar zaten we dan. In een trein. Het avontuur kon beginnen.
